06-52500157 info@wisselkom.nl

Een klant (een bv) van mijn kantoor heeft bijna 20 jaar geleden, en dus “ver voor mijn tijd”, haar 100%-dochtervennootschap verkocht aan een holding van een kind van de DGA.
Over de waarde van de aandelen van die dochtervennootschap alsmede over de koopprijs, financieringsvoorwaarden, zekerheden, et cetera is ruim tevoren overleg geweest met de inspecteur van de Belastingdienst en de gemaakte afspraken heeft de Belastingdienst ook schriftelijk bevestigd.
So far so good.

Als gevolg van de Corona-crisis en de nasleep ervan, is de overnemende vennootschap genoodzaakt haar onderneming te stoppen en worden de nieuwe holding bv en de dochtervennootschap geliquideerd. Dit houdt voor de verkopende bv wel in dat zij haar restant-vordering op de kopende holding bv niet ontvangt en dat bedrag als verlies presenteert in haar jaarrekening en bijbehorende aangifte vennootschapsbelasting.

Maar dan, dan komt de inspecteur met zijn hoge hoed met daarin meerdere konijnen:

  • Volgens de inspecteur is er sprake van een onzakelijke lening
  • Er is niet voldaan aan de indertijd met zijn collega gemaakte afspraken voor wat betreft de te stellen zekerheden
  • Het is ongebruikelijk dat bij dit soort transacties wordt overeengekomen dat gedurende de eerste 60 maanden de kopende holding bv geen rente- en aflossingsverplichtingen hoeft te voldoen
  • Destijds bij het overleg met de inspecteur is de inspecteur duidelijk aangegeven dat een onafhankelijke derde zo’n financieringsdeal naar alle waarschijnlijkheid niet zou aangaan; ergo: de persoonlijke verhouding tussen de verkopende DGA (vader) en de kopende DGA (kind) waren doorslaggevend en dus per definitie was alles onzakelijk
  • Et cetera.

Hoe valide de argumenten van deze inspecteur ook mogen zijn, feit is dat ongeveer 20 jaar geleden alle feiten met de toenmalige inspecteur zijn gedeeld, besproken en vervolgens zijn meegenomen in een afspraak. It is what it is.

Helaas neemt deze inspecteur daar geen genoegen mee en haalt hij allerlei argumenten erbij om het geclaimde fiscale verlies niet te hoeven aanvaarden. Hij neemt het standpunt in dat feitelijk sprake is van een liquidatieverlies en bevoordelingsmotieven bovenlangs.
Daarna wordt de earn-out regeling  van stal gehaald.
En vermoedelijk zal er nog wel een konijn volgen.

Als het niet linksom lukt, dan moet het dus maar rechtsom.